vrouwkje.com | in de pers | vitrine
terug

 

Grotestadslyriek
door Henk Blanken | Uit: Dagblad van het Noorden, 19 november 2004

Tuinman en Wigman, dat klinkt als twee karakters uit een late novelle van Bordewijk. Heel Hollands, een tikje belegen misschien maar barstensvol betekenissen. Die ’tuinman’ moet –denk aan het gedicht van Van Eyck– wel iets met de dood te maken hebben, terwijl ’wigman’ uiteraard een wig wil drijven, van alles en nog wat op losse schroeven wil zetten.
Vrouwkje Tuinman en Menno Wigman, twee van de beste jonge dichters van dit moment, hanteren bij mijn weten geen pseudoniemen. Toch komen de associaties bij hun namen wel van pas. Want Tuinman ziet in haar debuut Vitrine een dode vader langskomen. En Wigman wrikt in zijn beste gedichten inderdaad iets los met zijn uiterst melodieuze grotestadslyriek.
Van de twee is Vrouwkje Tuinman (1974) de minst gepolijste dichter. Haar eerste bundel is een uitstalkast van nogal grote emoties, waarvoor ze pakkende zinnetjes vindt, ironisch soms maar ook ongeremd lyrisch. Veel over de liefde: ’Mijn grote man. Het feest is zijn toneel./ Op brede voeten staat hij voor de wereld te zien./ Besneeuwt de nacht met rook, zweet zich uit, / zetelt wijdbeens en viert zijn geslacht.’
Dat ’vieren’ –de ruimte geven én feestelijke vieren– is natuurlijk prettig dubbelzinnig.
Vrouwkje Tuinman is al vergeleken met Neeltje Maria Min, die in 1966 uit het niets naam maakte met Voor wie ik liefheb wil ik heten. Ze schrijft heldere, prettig citeerbare, bitterzoete poëzie waarin ze af en toe net even te veel stamelt in onaffe zinnetjes. Maar waar het geen trucje wordt, doet Vrouwkje Tuinman in haar beste, meest beeldende regels aan Eva Gerlach –misschien wel de beste Nederlandse dichter van dit moment– denken.
Menno Wigman (1966) is in zijn derde bundel Dit is mijn dag net zo stads en net zo lyrisch, maar heel veel behendiger. Hij wordt volkomen terecht de hemel in geprezen voor zijn vloeiende regels. Weinig nieuwe dichters zijn technisch zo geslepen als hij. Het is klassiek ritmisch, het rijmt waar het onderhuids rijmen moet, terwijl het toch vrijwel nergens een circusact wordt.
Net als Vrouwkje Tuinman neigt Wigman naar melodrama. Hij heeft het nogal moeilijk met het leven, lijkt niet erg gesteld op zijn medemens (’En dan die metro’s met dat drukke vlees,/ dat restvolk dat als vissen langs je gleed’). Hij leunt soms aan tegen Weltschmertz (’Ik ken de droefenis van copyrettes’) en melancholie en moet dan oppassen dat hij niet helemaal in de taal van Jean Pierre Rawie verzuipt.
Het meest opvallend in Wigmans bundel zijn de vijf gedichten bij oude, Rotterdamse politiefoto’s. Over een moordwapen, een psychopaat, een gevangene. Op die momenten schuurt Wigmans muzikale taal op het rauwe leven dat hij beschrijft. Dat doet zeer, precies zoals het moet. Het doet vermoeden dat Wigman zijn beste poëzie nog moet schrijven –als hij zijn definitieve, alles beheersende onderwerp gevonden heeft.

Bundels


'Vitrine', Vrouwkje Tuinman Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 14,95 euro
'Dit is mijn dag', Menno Wigman, Uitgeverij Prometheus, 13,50 euro

  (c) Dagblad van het Noorden