| |
Dichters onder ons
Hagar Peeters, Jannah Loontjens, Tjitske Jansen en Vrouwkje Tuinman bewijzen
dat je niet oud, depressief of wereldvreemd hoeft te zijn om succes te
hebben als dichter.
tekst Femke van Wiggen fotografie Victor Bergen-Henegouwen
BLVD: “Jullie worden gerekend tot een nieuwe literaire stroming
van vrouwelijke dichters. Wat vinden jullie daarvan?”
Tjitske: “Mijn eerste recensie was in ‘Vrij Nederland’.
Ik werd besproken met Jannah, Maria Barnas, Marije Langelaar & Sylvia
Hubers. De strekking was dat we vrouw zijn en veel over gevoelens dichten,
en daarbij, dat vrouwen achter hun kut aan mogen lopen. Ook in poëzie.”
Hagar: “Ik heb me enorm geërgerd aan dat stuk. Ik was blij
dat ik niet werd genoemd.”
Vrouwkje: “Ik ben in recensies gelukkig nog niet vergeleken met
andere dichteressen.”
Tjitske: “Het was voor mij de eerste mogelijkheid om aandacht van
de media te krijgen en toen dacht ik…”
BLVD: “Aandacht is aandacht?”
Tjitske: “De voordelen wogen zwaarder.”
Vrouwkje: “Natuurlijk werk je mee!”
Jannah: “Ik had een inhoudelijkere bespreking verwacht. Ik was nieuwsgierig
hoe we als stroming zouden worden neergezet. Maar we werden vergeleken
met elkaar en met MTV-babes als Shakira en Britney Spears. Wat een onzin.”
BLVD: “Worden jullie vaak op deze manier besproken?”
Vrouwkje: “Het gebeurt ook andersom. Ik schijn mannelijk te dichten.
Weliswaar vanuit een vrouwelijk perspectief, maar onvrouwelijk.”
Tjitske: “Dat is dan zeker positief bedoeld? Vast geschreven door
Adriaan Jaeggi.”
Vrouwkje: “Nee. Maar het rare is dat met zo’n recensie eigenlijk
hetzelfde mechanisme in werking is gezet.”
Tjitske: “Dat stuk in ‘Vrij Nederland’ was toch zo ongeveer
het enige?”
Vrouwkje: “Nou, het is wel een tendens om zo te schrijven. Er worden
de laatste tijd juist veel dubbelbesprekingen gedaan, ik kom vaak tegen
dat Hagar of Tjitske of Pietje in een recensie worden aangehaald. Dat
is schijnbaar nodig.”
BLVD: “Het is dus geen nieuwe literaire stroming?”
Hagar: “Niet echt. Misschien is dat idee ontstaan doordat er vijf
jaar geleden niet zo veel jonge vrouwelijke dichters waren, laat staan
met succesvolle bundels. Nu wel, en dan wil men je al gauw in een hokje
te stoppen.”
Vrouwkje: “En ze stonden niet op podia, traden niet op. Dat is ook
een belangrijk verschil. De generatie vóór ons vertegenwoordigde
het klassieke beeld van de dichter die overstaanbaar spreekt vanachter
een boek. In de bloemlezing ‘De 100 beste gedichten van 2004’
is overigens maar liefst eenderde van de gedichten door vrouwen geschreven!”
Hagar: “Dat is belachelijk veel. Zeker als je bedenkt dat van alle
vorig jaar uitgekomen bundels, dat zijn er negentig – ik heb ze
allemaal gelezen want ik zat in de jury van de VSB Poëzieprijs –
er misschien vijftien door vrouwen zijn geschreven.”
BLVD: “De samensteller heeft zijn best gedaan?”
Hagar: “Dat kun je wel zeggen. Je ziet het trouwens ook bij festivals.”
Vrouwkje: “Dat ze excuusvrouwtjes programmeren.”
Hagar: “Daar gaan wij verandering in brengen! Soms vind ik het trouwens
lastig om gezien te worden als een vrouwelijke dichter. Waarom niet gewoon
als dichter?”
Jannah: “Het verschil tussen vrouwen onderling is zeker zo groot
als het verschil tussen mannen en vrouwen.”
BLVD: “Vrouwelijke dichters schrijven vaak over gevoelens. Waar
is het engagement?”
Tjitske: “Ik heb laatst – in opdracht – een gedicht
geschreven over de koningin, voor haar 25-jarig jubileum. Telt dat?”
Jannah: “Over het algemeen houd ik niet van geëngageerde dichtkunst,
omdat er dan een mening of oordeel in verwerkt is, waardoor het eerder
propaganda is dan poëzie. Het kan wel, maar als het gedicht ondergeschikt
is aan een gebeurtenis, vind ik het niet zo interessant. Neem onze Dichter
des Vaderlands.”
Vrouwkje: “Heeft Driek van Wissen (afgelopen januari verkozen tot
opvolger van Gerrit Komrij, red.) al iets geschreven?”
Jannah: “Een gedicht over Poolse arbeiders? Zoiets?”
Vrouwkje: “Het zegt genoeg dat niemand het zeker weet.”
Jannah: “Ik beschouw zo’n Dichter des Vaderlands een beetje
als een hofnar. Alleen al om de titel. Dichter des Vaderlands. Ik zou
dat persoonlijk nooit willen zijn.”
BLVD: “Hagar, jij was ervoor in de running toch?”
Hagar: “Het leek mij heel leuk.”
Jannah: “Echt?”
Hagar: “Je hoeft niet bij iedere gebeurtenis een gedicht te schrijven!
Je kunt ook dingen doen, zoals Komrij de Poëzieclub heeft opgericht.”
BLVD: “Wat had je gedaan als Dichter des Vaderlands?”
Hagar: “De ideeën heb ik verdrongen toen bleek dat ik het niet
werd.”
Vrouwkje: “Ik ben het met Jannah eens: poëzie is niet de plek
voor meningen.”
Tjitske: “We moeten ook altijd maar een mening hebben, hè?”
Vrouwkje: “Ik vind een mening in een gedicht al snel aanmatigend.
Of het is te tijdgebonden qua onderwerpkeuze. Aan beiden wil ik me op
dit moment niet wagen. Niet in gedichten in ieder geval.”
BLVD: “Houden jullie ook rekening met de lezer?”
Jannah: “Nee.”
Hagar: “Op een heel abstract niveau. In mijn achterhoofd speelt
mee dat wat ik schrijf, er is om gelezen te worden. Je schrijft niet alleen
voor jezelf. Ik heb geen boodschap, maar wel een bedoeling met een gedicht.
En ik heb liever niet dat de lezer die maar naar eigen inzicht invult.”
Vrouwkje: “Ik vind dat nooit erg.”
Tjitske: “Soms heb ik een bedoeling met een gedicht en soms overkomt
het gedicht me tijdens het schrijven. Zo kan het de lezer ook overkomen.”
BLVD: “Hoe interpreteren jullie lezers jullie werk?”
Tjitske: “Soms klampen ze je aan en roepen ze: ‘Ik weet waar
het over gaat!’”
Hagar: “En dan blijkt het meestal over iets heel anders te gaan.”
Vrouwkje: “Het titelgedicht van ‘Vitrine’ gaat over
het welkom heten van een nieuwe liefde in je leven. Maar volgens bijna
iedereen die het leest, gaat het over afscheid nemen van een geliefde,
door wie je zojuist bent gedumpt. Ik vind het best.”
Tjitske: “Blijkbaar is dat gedicht zo open dat je er verschillende
gevoelens bij kunt hebben.”
Jannah: “Weet je wat ik moeilijk vind? Tijdens het schrijven bén
je het werk. Soms ben ik opgelucht als iets af is, maar soms vind ik het
beklemmend, juist omdat een deel van jou de wereld in gaat en je er geen
controle meer over hebt. Dan begint het terug te praten op allerlei manieren,
via andere mensen.”
Vrouwkje: “Voor mij werkt het andersom. Zodra ik merk dat iets verder
van me af begint te staan, begint het te slagen als gedicht of als verhaal.
Ik kan nu naar waarheid zeggen dat mijn roman niet meer over mij gaat.
Dat zal waarschijnlijk niemand oppikken, ze zullen allemaal denken dat
het een autobiografie is, maar het geslaagde eraan vind ik juist dat ik
het heb weten te abstraheren tot iets autonooms.”
Jannah: “Ik herken wel dat het los van je komt te staan, maar ik
vind dat soms bedreigend.”
Tjitske: “Of een schok. Als iemand op mijn werk reageert, denk ik:
God, dat kan, die heeft het gelezen, je kunt het kopen.”
Jannah: “Ik ontdek steeds beter wat ikzelf wil.”
BLVD: “Waar komt dat door?”
Jannah: “Ik denk vooral door tijd en veel lezen. Het gevoel dat
je je werk steeds beter begrijpt, is altijd vluchtig, dat verlies je telkens
weer. Ik heb wel het idee dat daar een stijgende lijn in zit, dat er meer
coherentie tussen je gedichten komt.”
Tjitske: “Jij ontdekt dus al schrijvend waarmee je bezig bent?”
Jannah: “Ja.”
Vrouwkje: “Ik lees voortdurend hardop als ik schrijf. Ik moet het
horen, dat is confronterender.”
Tjitske: “Dat vind ik vreemd aan voordragen. Soms lees je een gedicht
voor waarvan je het gevoel hebt dat het is verbonden met een andere tijd.”
BLVD: “Hoe belangrijk is optreden?”
Hagar: “Ik laat mijn werk graag horen zoals ik het vind klinken,
ik treed graag op.”
Tjitske: “Laten we eerlijk zijn: het is ook een bron van inkomsten.
De mogelijkheid ís er. En als die er is…’’
Hagar: “Nederland is een klein land, maar heeft ongelooflijk veel
festivals waarop ze je willen horen! Dat is zo vreemd.”
BLVD: “Is het daardoor gemakkelijker om dichter te zijn?”
Vrouwkje: “Ik kan mijn geld ook anders verdienen.”
Tjitske: “Ik vind het eerder moeilijker. Met zo veel optredens is
het lastig om je te concentreren op het dichten.”
Jannah: “Ik doe weinig optredens omdat ik het zo vind afleiden.
Het kost niet alleen tijd, maar vooral veel energie.”
Vrouwkje: “Het hele sociale gebeuren eromheen vind ik nogal een
drama.”
Jannah: “Dodelijk vermoeiend.”
Vrouwkje: “Je komt ergens, dan begint de organisatie zich voor te
stellen, die namen moet je allemaal proberen te onthouden, dan komen de
andere optredenden datzelfde doen, etc. etc. Ik ben daar niet goed in.
Ik kan niet met mensen die ik niet ken over koetjes en kalfjes praten.
Ik houd er sowieso niet van om over koetjes en kalfjes te praten. Veel
mensen denken dat ik arrogant ben, maar ik houd gewoon niet van overbodige
communicatie.”
Hagar: “Als je een jaar later weer op hetzelfde festival komt, ben
je hun namen vergeten. En ze dragen ook nog eens andere truien en dan
vinden ze je inderdaad hautain. Omdat je niet ‘Dag Joop!’
terugroept. Ik treed al jaren veel op. Je moet er echt voor vechten om
je te kunnen terugtrekken.”
BLVD: “Je kunt toch beleefd weigeren?”
Hagar: “Dat lukt dus moeilijk. Ik neem het me vaak voor. Eigenlijk
wil ik deze zomer helemaal niets doen…”
Vrouwkje: “Dan moet je dus weggaan. En dat plannen, dan lukt het.”
Hagar: “Het is heel dubbel, want het is hartstikke leuk dat je gevraagd
wordt, dat er interesse is. Maar zoals Jannah aangeeft: het leidt af van
wat je wilt maken. Om echt te dichten moet je je kunnen afzonderen.”
Tjitske: “Ik heb dat gevoel niet zo. Voor ik optrad, werkte ik erbij
in restaurants en op de markt, is dat niet hetzelfde?”
Vrouwkje: “Dat vind ik iets heel anders. Je zit na een optreden
met zo veel inhoud in je hoofd! Ik moet dan altijd weer een dag niemand
spreken, wil ik iets zinnigs kunnen doen. Dat geeft niet, er zijn altijd
klusjes te doen, maar je komt er absoluut minder snel toe iets nieuws
te bedenken.”
Hagar: “Het kan ook verleidelijk zijn om erin te vluchten, als uitstelmanoeuvre.”
Jannah: “Ik vind het heerlijk dat ik nu mijn dochtertje heb (van
1 jaar, red.), want ik word gedwongen om te kiezen. Ik doe alleen nog
maar wat ik echt belangrijk vind en al die sociale dingen, die zeg ik
af, want ik hebt een kind.”
Vrouwkje: “Zonder dat ze je arrogant vinden! Optredens zijn trouwens
vooral leuk wanneer je merkt dat er gedurende zo’n eindeloze literaire
avond een rode draad ontstaat of er een bepaalde chemie is tussen de optredenden.”
Tjitske: “Vrouwkje! Volgens mij vind jij voordragen helemaal niet
leuk!”
BLVD: “Luister je ook naar anderen op zo’n avond?”
Vrouwkje: “Niet als ze allemaal dertig minuten spreken!”
Hagar: “Ik vind het juist mooi om me helemaal open te stellen en
te kijken hoe iemand het doet. Vroeger was ik zo zenuwachtig voor een
optreden, dat ik niet kon luisteren. Daar voelde ik me vaak schuldig over.
Nu merk je dat de meesten zitten te roken in de foyer terwijl jij daar
staat.”
Vrouwkje: “Ik houd van literaire evenementen, absoluut, maar ik
vind het storend om te zien hoe iedereen probeert zo lang mogelijk aan
het woord te zijn, vaak ten koste van alles. Ten koste van het publiek
vooral. Ik ben nota bene de doelgoep van dit soort evenementen en ik trek
het al niet! Ik denk vaak: dat moet toch leuker kunnen. Ik ben nu met
mijn geliefde Frank Starik ‘Duizenddichters’ aan het organiseren,
dat 1 juli 2006 plaatsvindt in de Stadsschouwburg van Utrecht. Waarschijnlijk
willen we de dichters per tien in een rijtje op het podium met een spot
boven het hoofd. Iedere dichter wordt na vijftig seconden van het podium
gehaald.”
BLVD: “Zouden jullie daaraan meedoen?”
Hagar: “Ik vind het een leuk experiment, maar je wordt wel echt
één van de velen.”
Tjitske: “Je moet het echt op dat moment doen, scoren, dat vind
ik interessant.”
Hagar: “Maar je kunt in één minuut zo weinig laten
zien!”
Vrouwkje: “Je kunt ook heel veel laten zien. Juist in die nivellerende
context. Ik vind het leuk om op een andere manier over dit soort dingen
na te denken.”
Hagar: “Ik ga graag naar de interviews op festivals. Om te zien
hoe andere schrijvers met die situatie omgaan. Sommigen praten bijvoorbeeld
snel, dan denk ik: jezusmina, hoe kun je dat combineren met aan de andere
kant die afzondering, dat alleen op je kamer de hele dag zitten schrijven?
Daar word je toch een beetje een raar nurks figuur van? En dan komen ze
buiten en dan praten ze gewoon zoals ieder ander…”
Jannah: “Verbind jij de snelheid van praten automatisch aan de snelheid
van denken?”
Hagar: “Wel met het gemak dat je hebt in de omgang met anderen.
Als ik lekker aan het werk ben en ik ga daarna de straat op en kom iemand
tegen, dan ben ik helemaal weg. Dan reageer ik ontzettend sloom.”
Vrouwkje: “Dat heb ik ook.”
BLVD: “Beperkt dichten dan je leven?”
Tjitske: “Bedoel je dat je een heel leven zou mislopen omdat je
dicht?”
Jannah: “Zeker als je veel optreedt, sta je met beide benen in de
wereld.”
Hagar: “Je komt als dichter juist met allerlei mensen en dingen
in aanraking.”
Tjitske: “Maar dat is behoorlijk virtueel; uiteindelijk sta je op
een podium met allemaal luisteraars die applaudisseren. Dat is niet écht
het gewone leven.”
Hagar: “Volgens mij is het ook overdreven om aan te nemen dat je
geïsoleerd leeft, doordat je schrijft. Ik dacht dat het veel eenzamer
zou zijn. Je bent als dichter heus niet van de wereld. Hoewel je wel enigszins
onthecht moet zijn om te kunnen schrijven.”
Tjitske: “Die onthechting vind ik problematisch.”
Jannah: “Problematisch? Dat is een kwaliteit!”
Tjitske: “Beide. Inmiddels is alleenzijn een kwaliteit die nodig
is om te schrijven. Maar ik begon in eenzaamheid, waardoor schrijven voor
mij altijd is verweven met oud zeer. Dat vind ik moeilijk.”
BLVD: “Omdat je het opzoeken van die pijn moeilijk vindt?”
Tjitske: “Nee. Maar je houdt de pijn in stand door schrijver te
zijn. De neiging is er om dat te willen, dat prettig te vinden, maar tegelijkertijd
ben ik me daardoor bewust van die pijn. Ik weet niet hoe dat zich hoort
te verhouden.”
BLVD: “Belemmert dat je schrijven?”
Tjitske: “Ja. Maar het is óók de bron. Aan de ene
kant wil je alleen zijn, in de wereld van je verbeelding kruipen. En aan
de andere kant wil je juist wél in het leven staan.”
Hagar: “Ik denk dat je dat gemis ook zou voelen als je iets heel
anders zou doen. Misschien hoort het gewoon bij je. Ik heb andere dingen
geprobeerd…”
Vrouwkje: “Jij hebt zelfs een baan gehad!”
Hagar: “Even, als publiciteitsmedewerker. Daar was ik ook niet gelukkig
mee.”
Tjitske: “Ik zou het schrijven hierom ook nooit laten.”
Hagar: “Je zult altijd je eigen gedachten of fantasieën hebben.
Daaraan kun je zien hoe mooi dingen zijn, maar het kan je ook aan het
twijfelen brengen. Dat is het vermoeiende aan dichten, dat je altijd met
je grenzen bezig bent.”
Jannah: “Voor mij is die onthechting noodzakelijk. Het creëert
afstand tot de dingen, wat ik nodig heb om te observeren en te dichten.”
BLVD: “Hoe onthecht je je met een baby?”
Jannah: “Schrijven is een denkproces dat ik niet kan laten beïnvloeden.
Als ik werk weet ik: over een paar uur kan ik weer helemaal niets, dus
het intensiveert mijn schrijfproces eigenlijk. Mijn kindje beïnvloedt
mijn schrijven erg weinig. Ik ga ook niet opeens over kinderen dichten.”
BLVD: “Wat doen de reacties van publiek en pers met jullie?”
Tjitske: “Ik ben tevreden over mijn eerste bundel, maar soms denk
ik wel: dat kan ik nooit meer overtreffen.”
Jannah: “Dat had ik helemaal niet. Maar ik zou mijn vorige bundel
wel willen herschrijven. Veel gedichten zijn in mijn hoofd alweer anders.”
Tjitske: “Ik wil helemaal niet bezig zijn met mogelijke reacties
op nieuwe gedichten. Ik vind het al een wonder dat ‘Het moest maar
eens gaan sneeuwen’ gelukt is. Nog een wonder is moeilijk en ik
vind het lastig dat dat nu wordt verwacht.”
Vrouwkje: “Ik had gedacht dat mijn dichtbundel genegeerd zou worden.
Het tegenovergestelde is gebeurd, maar nu komt die roman en nu ben ik
opeens bang.”
Hagar: “Met ‘Koffers Zeelucht’ was ik bang dat ik zou
teleurstellen. Wat nu als ze alleen maar lief waren bij het verschijnen
van mijn debuut? Ik vind het trouwens nu nog raar dat je naam in de krant
staat na een optreden, dat ze je hebben zitten bekijken en daar dan een
oordeel over hebben.”
Vrouwkje: “En dat ze dan de meeste woorden besteden aan je jurk.
Of je bril. In het ‘NRC’ nota bene!”
Tjitske: “Wat ik vervelend vind, is dat ik nu opeens tijdens het
schrijven al aan publiceren denk.”
Hagar: “Dat werkt verlammend.”
Tjitske: “Ik weet niet of het mijn gedichten beïnvloedt, maar
het is iets wat in je hoofd speelt tijdens het schrijven. Die pure naïviteit
is er niet meer en die zal er ook nooit meer zijn.”
BLVD: “Is dat niet juist prettig?”
Tjitske: “Dat is het ook. Je kunt nu zeggen dat je dichter bent,
je hebt bewijs.”
Jannah: “En het stelt grenzen. Het impulsieve en intuïtieve
is er misschien een beetje af, maar voor mijn werkproces is de wetenschap
dat het in een boek terechtkomt een begrenzing die ik prettig vind.”
Hagar: “Omdat je kritischer bent naar je eigen werk?”
Jannah: “Als je schrijft zonder echt ergens naartoe te werken, dan
schrijdt het voort. Maar als je naar een publicatie toewerkt, dan probeer
je veel meer iets te vervolmaken.”
Hagar: “Heeft poëzie grenzen nodig dan? Ik hoorde P.F. Thomese
een stuk uit zijn roman ‘Schaduwkind’ voordragen. Prachtig
proza, het is eigenlijk een gedicht.”
Tjitske: “Het is proza, maar mooi geschreven, dus eigenlijk is het
poëzie?”
Hagar: “Ik vind poëzie mooier dan proza, sorry. Om te horen
zeker.”
Tjitske: “Ik wil geen verschil maken. Maar wat me in een roman soms
tegenstaat, is dat het vaak alleen om het verhaal draait.”
BLVD: “Wat maakt een roman dan wel spannend?”
Tjitske: “Er moet iets met het materiaal gebeuren, met de taal.
Als je bijvoorbeeld het werk van Joke van Leeuwen leest, lijkt het net
alsof ze al schrijvend het verhaal ontdekt.”
Jannah: “Gelukkig heb je in de literatuur ontzettend veel schrijvers
die ontdekken in het schrijven. Boeken die drijven op de intrige, vind
ik ook minder boeiend.”
Hagar: “Zoals ‘De Da Vinci Code’, dat heb ik proberen
te lezen. Zo saai. Misschien is het verhaal spannend, maar de taal zelf
doet niets.”
Vrouwkje: “Ik heb geen probleem met af en toe een spannende bestseller.
Wat me meer stoort, is dat ik het afgelopen jaar veel boeken heb gelezen,
waarbij de uitgever op een gegeven moment gezegd lijkt te hebben: ‘Als
je nu een personage zus en een zijlijntje zo doet, heb je een leuk plot.’
Dat vind ik moeizaam en jammer, want een plot is helemaal niet nodig.
In mijn roman ‘Grote Acht’ gebeurt bijvoorbeeld waanzinnig
weinig. Misschien is dat het verschil met poëzie. Als ik over mijn
gedichten vertel, hoef ik nooit te vertellen waar het over gaat. Bij proza
moet je meteen het verhaal van a tot z navertellen.”
Hagar: “En dat lukt niet, want een samenvatting beschrijft alleen
dat plot…”
BLVD: “Bemoeien jullie uitgevers zich ook op die manier met jullie
gedichten?”
Hagar: “Nee. Dat laat ik niet gebeuren en dat werkt ook niet.”
Tjitske: “Ik heb mijn uitgever duidelijk gemaakt dat hij me vooral
niet moet pushen wat betreft die tweede bundel.”
Vrouwkje: “Ik heb juist gekozen voor de uitgeverij die me het meeste
tegengas biedt. Soms weet ik dat er iets schort aan een gedicht, maar
dan zie ik niet meer wat. Dan zegt mijn redacteur: ‘Die strofe daar
gaat er wel uit hè, want dat wil ik niet lezen hoor.’ Meestal
weet ik dan meteen wat het probleem is en hoe ik dat gat moet vullen.
Die wisselwerking vind ik fijn. Niet omdat ze me zeggen wat ik moet doen,
maar vooral om wat ze me aanraden te laten.”
Tjitske: “Ik leverde mijn bundel in toen ik hem helemaal af had.
Ik wilde zelf het gevoel hebben dat het klopte. Maar mijn redacteur wilde
dat ik er nog een aantal gedichten bijvoegde. Achteraf had hij gelijk,
maar op dat moment vond ik het moeilijk.”
Hagar: “Bij mij wilden ze een gedicht er liever niet in hebben,
‘Recensie van de taal’, dat ik al had geschreven voor ‘Genoeg
gedicht over de liefde voor vandaag’. Mijn toenmalige uitgever zei:
‘Om nu in je eerste bundel met een recensie van de taal te komen,
is misschien wat pretentieus.’ Bij ‘Koffers Zeelucht’
had ik het er weer tussen gestopt, en toen werd precies dat gedicht er
weer uit gepikt. ‘Een gedicht over taal, is dat niet een uitgekauwd
onderwerp?’ Dus nu ik met het geld dat ik met de Jo Peters Poëzieprijs
heb gewonnen zelf een mooie dichtbundel mocht samenstellen, heb ik mijn
kans gegrepen en dat gedicht erin opgenomen. Maar over het algemeen vind
ik het lastig om te bepalen in hoeverre je in kritiek moet meegaan, want
sommige kritiek is goed.”
BLVD: “Laten jullie je beïnvloeden door collega’s?”
Hagar: “Weinig. Ik kreeg op mijn vijftiende verjaardag een gedicht
van Kafavis van mijn leraar Nederlands. Ik werd zo geraakt door dat gedicht,
dat heb ik later nooit meer meegemaakt. Dat zo weinig woorden zo veel
kunnen doen, vond ik een waanzinnige ervaring!”
Tjitske: “Het is niet zo dat je werk per definitie lijkt op de poëzie
die je graag leest. Ik houd van Van Ostaijen, maar schrijf niet zo. Voor
een deel word je ook beïnvloed door wat je op straat hoort.”
Jannah: “En ziet. Ik vind kijken erg belangrijk.”
Vrouwkje: “Ik heb veel geleerd door poëzie te lezen waarvan
ik dacht dat ik die niet mooi zou vinden. Niet om het alsnog te waarderen,
maar om erachter te komen wat er allemaal mogelijk is.”
Hagar: “Toen ik die negentig bundels voor de VSB Poëzieprijs
las, raakte ik een beetje ontmoedigd. Het was het omgekeerde van die eerste
ervaring met Kavafis. Die maakte destijds alles in me open. Nu sloeg alles
dicht.”
BLVD: “Had dat met de kwaliteit te maken?”
Hagar: “Je ziet dat er een enorme middenmoot is, waarin de schrijvers
schijnbaar denken: zo hoor je poëzie te schrijven. Op een gegeven
moment doemdacht ik dat het allemaal maar een maniertje was en dat dichten
blijkbaar niet bijzonder was. Misschien heeft dat uiteindelijk ook weer
met die onthechting te maken. Die heb ik nodig, merk ik, terwijl ik nu
praat… Weet je hoe bizar het is om te beseffen dat je vaak meer
over dichten praat dan dat je het echt aan het doen bent? Als ik eerlijk
ben, zit ik hier al de hele tijd op hete kolen en denk ik: ik moet schrijven,
niet lullen!”
BLVD: “We zijn ook klaar nu.”
Tjitske Jansen (1971)
Won in 2001 de poetry slam in het Amsterdamse Festina Lente. Gedichten
van haar werden gepubliceerd in de bloemlezing ‘Vanuit de lucht’
(Passage, 2001). In 2003 verscheen bij uitgeverij Podium haar debuut ‘Het
moest maar eens gaan sneeuwen’, waarvan zeven herdrukken verschenen.
Sindsdien treedt Jansen veel op, schrijft ze columns en geeft ze poëzieworkshops.
In 2004 verscheen een verzameling van haar theaterteksten onder de titel
‘Vind je mij opwindend?’.
Jannah Loontjens (1974)
Haar debuut ‘Spectroscoop’ (De Beuk) verscheen in 2001, haar
tweede bundel ‘Varianten van nu’ verscheen in 2002 bij Bert
Bakker. Haar gedichten werden geselecteerd voor ‘Vanuit de lucht’
(Passage, 2001), ‘De Verhuizing’ (Prometheus, 2003) en ‘Komrij’s
Nederlandse Poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en
enige gedichten’ (Bert Bakker, 2004). Behalve gedichten schrijft
Loontjens ook essays. Haar derde dichtbundel, ‘Het ongelofelijke
krimpen’ (Bert Bakker) verschijnt in september.
Vrouwkje Tuinman (1974)
Debuteerde in september 2004 bij uitgeverij Nijgh & van Ditmar met
de dichtbundel ‘Vitrine’. In september volgt haar debuutroman,
‘Grote acht’. Publiceerde samen met Ingmar Heytze in 2000
‘Verdomd interessant, maar gaat u verder. De taal van Wim T. Schippers’
(SDU Uitgevers) en bracht in 2001 en 2002 een drietal bloemlezingen getiteld
‘Seks, de daad in 69 gedichten’, ‘Drugs, verslavende
gedichten’ en ‘Rock 'n' roll, klinkende gedichten’ (521)
uit. Tuinman organiseert ook literaire evenementen, schrijft columns en
treedt op tijdens festivals en literaire avonden. Ze ontving in februari
2004 de Hollands Maandblad Poëziebeurs 2003/2004 en werd genomineerd
voor de Libra Prijs.
Hagar Peeters (1972)
Werd in eerste instantie bekend als ‘performing poet’ en debuteerde
in 1999 met 'Genoeg gedicht over de liefde vandaag' (Podium). Met haar
boek 'Gerrit de Stotteraar - Biografie van een boef' (2002) won ze de
Nationale Scriptieprijs 2001. In november 2003 verscheen haar dichtbundel
'Koffers zeelucht' (de Bezige Bij), waarvoor ze in 2004 de J.C. Bloemprijs
en de Jo Peters Prijs voor moderne poëzie ontving. In april 2005
verscheen haar nieuwste gedichtenbundel 'Nachtzwemmen' (Perdu). |