|
Het is hier geen hotel
De andere Vrouwkje Tuinman
Vrouwkje Tuinman staat bekend als actieve podiumdichteres van toegankelijke
snit. Maar in haar nieuwe bundel voert een contactgestoord alter ego de
boventoon.
Vrouwkje Tuinman maakt deel uit van de Utrechtse kring van dichters rond
Heytze, Hubers, Hagar Peeters, Tjitske Jansen e.a. Een lichte, verstaanbare
toets, die overigens schrijnende ernst niet uitsluit, is zo’n beetje
het handelsmerk van deze ‘groep’.
Bij Tuinman, die in 2004 debuteerde met ‘Vitrine’ en die ook
zeer actief is bij het organiseren van festivals en bloemlezingen, ligt
dat iets anders. In haar zeer compacte, doorgestructureerde, maar ook
sterk associatieve gedichten is de verstaanbaarheid enigszins naar de
achtergrond gedrongen. Al was het maar omdat zij enerzijds scherpe portretten
van mensen in haar poëtische vitrine etaleerde en zélf min
of meer buiten schot bleef.
Zo’n complicerende factor kenmerkt ook haar tweede bundel ‘Receptie’.
Deze bestaat uit twee afdelingen, eenvoudig ‘Een’ en ‘Twee’
geheten. De eerste bevat gedichten die de gevoels- en binnenwereld van
een vrouwelijk ‘ik’-personage in klare maar ook veelal minder
klare, gewrongen taal schetsen en tegelijk de buitenwereld resoluut op
afstand houden. “Mijn leven is drie kamers groot. Ik beweeg me /
langs de randen, patrouilleer door gangen, / controleer de trap, bewaak
het raam”. Dit klinkt niet erg gezond. Netzomin als de postbode,
die als een spion wordt voorgesteld, ‘een rode gloed langs / het
gordijn’ veroorzaakt en ‘rook door de brievenbus’ blaast.
In ‘Scherm’ wordt de binnenwereld zelfs tegen zichzelf beschermd
in een pathologische poging de ene helft van het breid niet te laten weten
wat de andere doet! Daar kun je goed mal van worden.
In afdeling ‘Twee’ probeert de ‘ik’ de buitenwereld
schoorvoetend in haar domein toe te laten. Van harte gaat het niet en
het lukt ook vaak niet, hoezeer de achterplattekst van de bundel ook anders
beweert. Het gedicht ‘Zijde’, dat begint met ‘Op zaterdagmiddag
borduur ik gesprekken’, is echt niets anders dan het verslag van
een eng en beslist niet communicatief naaikransje! De enige die borduurt
en spreekt is de ‘ik’ zelf (‘Ik vertel van één
tot / honderd, daarna keer ik om’. ‘De anderen’ zijn
geblinddoekt en kunnen kennelijk geen woord bij dit heksenborduurwerkje
uitbrengen. Zij heeft alle macht: “Geen zin wijkt af van het / patroon.
[...] Mijn schaar knipt ongedode vragen / door. Tenslotte hecht ik alle
monden af, loop / langzaam achteruit. De ogen mogen open”. Wel,
zijn hier nu van het in de titel genoemde lapje zijde, van de geblinddoekte
aanwezigen óf van dit gedicht zelf de monden keurig afgehecht?
Wat een morbide ‘patroon’. Maar wat een fraaie, onontwarbare
spiegelbeelden!
Wat Tuinman, als organisatrice van culturele manifestaties alleen al volop
in de wereld staand, zo boeit in dit bijna autistische en contactgestoorde
alter ego zou ik niet weten. Het kan me ook niet schelen. Feit is dat
deze gedichten, wanneer al te particuliere associaties en het iets te
veelvuldig gebruik van elliptische zinnen achterwege blijven, een sterke
uitstraling en een heel eigen toon hebben.
Dat de tweede afdeling ten opzichte van de eerste helemaal niet zo louterend
is, zoals ik al opmerkte, blijkt alleen al uit het aangehaalde gedicht
‘Zijde’. Het titelgedicht van de bundel (zie hieronder), eveneens
uit de tweede afdeling, wijst ook al iedere inmenging in de privéwereld
af. Wel een ‘receptie’ maar geen hotel; de stekker van de
bel is uit het contact gehaald. Ontbijt buiten, zodat de ‘ik’
binnen op haar balkon rustig de vogels kan voeren. ‘Kachelman’
en ‘meternemer’ komen er pas in nadat de ‘ik’
alle sporen van haar activiteiten heeft weggeschrobd. Tja, en als de auto
dan de straat uitrijdt, dan pas gaan de lampen aan.
Zo is er ook een mooi gedicht waarin de ‘ik’ een minnaar in
haar bed toelaat dat eindigt met de paradoxale regels: “Alles wat
ik nodig heb vannacht: jouw handen om mij / los te laten. Onze ringen
slapen een volmaakte acht”. Elkaar loslaten, maar dan die in elkaar
onschuldig rakende ringen een soort eeuwigheid beleven...
Er staan ook mindere gedichten in deze bundel, maar de kerngedichten zijn
frappant. Wat dat betreft ben ik benieuwd hoe het deze zich toch makkelijk
op podia bewegende dichteres en haar juist van de wereld afgekeerde afsplitsing
later nog zal vergaan.
Peter de Boer |