Datum bespreking: 20 Maart 2007
Interne dialoog
Met de gedichten uit haar tweede bundel Receptie biedt Vrouwkje Tuinman een
inkijk in het leven van een schuchter meisje. In de vorm van de ik-persoon vertelt
de hoofdpersoon zelf over haar leven. Op papier durft zij dat namelijk wel.
Maar er is meer aan de hand. Naast een karakterschets, zijn in de gedichten
observaties verweven over hoe iemand überhaupt zoiets als zijn bewustzijn
beleeft.
Behalve schuchter lijkt de hoofdpersoon ook iemand die graag controle houdt.
Binnenshuis is de wereld ordelijk en overzichtelijk. De buitenwereld laat zij
vanuit dat huis sporadisch toe. Bij haar observaties beseft zij voornamelijk
anders te zijn dan al de geobserveerde mensen en dingen. Zo somt ‘Instant’
op wat zij geweest zou zijn wanneer zij haar vriendin, diens broer of de buurvouw
was geweest:
Instant
Hier ben ik. Een vriendin vraagt mij waar ik ben
tijdens haar dagelijkse dingen. Zij is daar in meervoud.
Was ik haar broer dan bemiddelden wij onze ouders
lazen vale brieven en lieten het grofvuil komen.
Ik ben hier in manuscript. Mijn vel is wit. Waar zij woont
is de ijskast altijd volgepakt. Haar leven gaat
van naam op de kalender tot feest in de agenda
zakformaat. Als ik de buurvouw was bracht ik mijn
uitgelezen krant mijn voorbarig open wijn.
[…]
Tuinman’s strakke, heldere stijl past goed bij de gedachtewereld van zo iemand die zich soms wat te veel van zichzelf bewust is. Maar de kracht van de gedichten schuilt in meer dan een karakterschets. Ten eerste blijft er over het leven van de hoofdpersoon nog voldoende te raden over. (Waarom zouden broer en zus de ouders bemiddelen? En waarvoor laten ze het grofvuil komen?) Ten tweede ontspint zij gedachtes over wat in een eerste oogopslag slecht haar eigen wereld is. Ook in ‘Mouches volantes’ komen deze kwaliteiten voor:
Mouches volantes
Er is een drijvende wereld tegen het licht in
bewegende wezens. Kijk ik naar rechts
dan reizen ze mee, de bocht om tot ik
naar links daar zijn ze weer. Met mijn ogen
maak ik kindertekeningen, herschep
mijn erfenis. Verder is er niks. De grote
doos met foto’s, toestellen, zakken vol
met vieze lappen weggegooid. De roze
klaproos op de theezeef slechts een plaatje.
Eiwitten walsen voor mijn ogen. Alles plastic,
alleen mijn grote ronde hoofd is over.
De gewoonheid van waargenomen dingen slaat hier plotseling om in het hebben
van ‘slechts een plaatje’. Tuinman verbindt die gedachte knap met
het gevoel van de hoofdpersoon soms letterlijk niet te kunnen ontsnappen aan
haar eigen aanwezigheid: zij heeft nog slechts haar ‘grote ronde hoofd’.
Ook van ‘Scherm’ vormt deze gedachte het thema: ‘Kijken precies
tot/ aan het glas. Niet aan slapen denken. Als toch gedacht,/ stop denken. Niet
afdwalen van het stoppen. De ene helft/ mag niet weten dat bij de ander nog
licht brandt.’
Minder sterk zijn de gedichten waarin de hoofdpersoon (of Tuinman, of Tuinman
‘quasi-gemeend’) in allerlei huiselijke voorwerpen en situaties
metaforen voor haar leven ziet. Zo ziet zij in ‘8-88’ haar leven
als een spel, met ‘En zwarte doos brengt elk kwartier/ een nieuwe loopbaan.
Ik stijg naar de maan/ zoek uranium beweeg mij politiek word/ handelaar. Studeer
en win achter elkaar[…]’. Ook ‘Tipp-ex’ vergelijkt erop
los: ‘In het boek voor wat zij voelt staan/ vastgevroren beelden. […]
Haar halvemanen nagels/ strepen alleswetend woorden door.’
Een dergelijke hang naar sentiment voert ook de boventoon in de gedichten waarin
we kennismaken met de ‘hij’ in haar leven. Het bleek natuurlijk
onmogelijk de wereld uitsluitend als buitenstaander te benaderen. In de persoon
van een geliefde dringt de wereld binnen. Voor ‘hem’ opent de hoofdpersoon
zelfs graag haar deur. De hartenkreten die dat oplevert blijven erg achter bij
de observaties uit het eerste deel. Zo zingt ze in ‘Vena Amori’:
Alles wat ik nodig heb: jouw handen om de mijne
vast te nemen. Aai de spreeuwen uit mijn hoofd,
[…]
Alles wat ik nodig heb vannacht: jouw handen om mij
los te laten. Onze ringen slapen een volmaakte acht.
Aan het eind van de bundel voert de hoofdpersoon je weer mee in haar wereld. Zij blijkt die niet alleen voor ‘hem’ geopend te hebben. In ‘Spionne’ bezoekt zij zelfs een vreemd huis. De hoofdpersoon blijft daar steeds aanwezig in haar observaties. En de speelsheid en de schijnbare onnadrukkelijkheid waarmee Tuinman zo de observator in haar observaties weeft, geven veel van de gedichten een lading die het sentimentele intermezzo snel doen vergeten.
Uit
Het beste werkt de show waarin uit dertien meisjes
degene wordt gekozen die het mooiste loopt.
Als dat niet kan, dan graag de zaklantaarnmensen
die uit flinters en fragmenten waarheid zeven.
Ik hoef niet in persoon naar Tenerife om decennia
na dato een eerste kus te fabriceren
Als finale een video met daarop mezelf.
Terwijl ik als enige het woord niet zie win ik een spel.
Hans Raphaël Bouman
c) derecensent.nl