Een eenzelvige vrouw
Beklemmende poëzie in tweede bundel van Vrouwkje Tuinman

Het is gevaarlijk een dichter te vereenzelvigen met de ik-figuur in zijn gedichten. Dat blijkt wel uit de tweede bundel van Vrouwkje Tuinman, Receptie.
Het is een strak georganiseerde bundel. Knap en interessant, maar ook benauwend. Tuinman is een prominent lid van een Utrechtse groep van podiumdichters. Ze organiseert van alles en treedt ook geregeld op met haar poëzie.
Het lijkt alsof haar gedichten over haarzelf gaan. Ze spreek veel over ik. Maar die ik-figuur is, anders dan Tuinman, eenzelvig en contactgestoord. Het is een jonge vrouw die haar huis niet uitkomt, die zich afsluit voor andere mensen, voor de buitenwereld.
‘Mijn leven is drie kamers groot,’ schrijft ze in Terrein. Kenmerkend is het openingsgedicht, waarin de ik-figuur op haar antwoordapparaat naar felicitaties luistert, maar geen contact maakt met de mensen aan de andere kant.
De sfeer in Receptie is beklemmend. De stijl draagt daaraan bij: Tuinman schrijft in korte, afgemeten zinnen, waarin ze alle emotie buiten lijkt te sluiten. Maar tussen de regels door blijkt dat angst overheerst: de vrouw sluit anderen buiten ter zelfbescherming. Het leven biedt veel mogelijkheden, schrijft ze in Dubbelganger: ‘Vandaag kan ik naar Denemarken of me melden / bij het leger.’ Maar het biedt ook veel gevaar: ‘De meeste vrouwen / gooien een granaat niet ver genoeg dat / scherven hen niet raken.’ Dus blijft ze maar boven op haar kamer.
In het tweede deel van de bundel doet de hoofdpersoon iets meer moeite om zich open te stellen. Ze lijkt zelfs te verlangen naar de liefde. In Vena amori (ader van de liefde, of ringvinger) roept ze een geliefde op, maar het eindigt met een tegenspraak over handen die haar los moeten laten:

Alles wat ik nodig heb: jouw handen om de mijne
vast te nemen. Aai de spreeuwen uit mijn hoofd,
draag ons dekens door het licht uit. De paarse steen,
het glaasje water, alle attributen om de dag te doen
vervagen, veeg ze van de tafel. Stuur met je vingers
slaap mijn bloed in door mijn polsen naar ons hart.
Alles wat ik nodig heb vannacht: jouw handen om mij
los te laten. Onze ringen slapen een volmaakte acht.

Eric Kok