vrouwkje.com | in de pers | buurvrouw
terug

 

 

 

Buurvrouw Tuinman op de koffie

Het zal wel van alle tijden zijn, maar juist de laatste tijd valt het
me op: wat worden boeken toch slecht gere-digeerd. Natuurlijk moet
een schrijver zijn best doen zijn gedachten ook technisch goed op
papier te krijgen, maar vaak zijn zijn gedachten bij andere zaken:
hoe hij een plot voorbe-reidt, of hoe hij de karakters geloofwaardig
krijgt.

Dan blijven er wel eens wat taalfoutjes in zitten en dat geeft ook
niet. De schrijver meent immers te weten dat er op de uitgeverij wel
een kritische redacteur zal zitten die de vliegenpoepjes zal
verwijderen. Maar, door tydsdruk misschien, er ontsnappen steeds meer
van die poepjes aan het redacteurenoog. Is dat erg? Jazeker, want de
lezer ziet ze wel en ze leiden hem af, ergeren hem, beperken het
leesgenot.

Charmant

Ook in Buurvrouw, de nieuwe roman van Vrouwkje Tuinman, is het weer
geregeld raak, of liever: mis. Om de zoveel bladzijden komt iemand
'de trap oplopen' in plaats van 'de trap op lopen', of de zinnen ÑHy
herkent me niet. Op de kade stapt iedereen op zijn fiets." zijn
achter elkaar blijven staan. Jammer, want Buurvrouw is een charmant
boekje, dat bestaat uit korte stukjes (vele zyn nog geen bladzijde
lang) over een vrouw die woont in een buurt die gesloopt dreigt te
worden. De < < o!'-jes dragen titels die aangeven wai de plaats van
handeling is: 'Thuis', 'Gair-rij', 'Trap', 'Buiten', 'Kruidenier'
bijvoorbeeld. Of een nummer en dan is er een huisnummer mee bedoeld.
Op nummer 7 woont bijvoorbeeld een jongetje van zeven jaar, dat in de
loop van het boek acht wordt. Hij is van school gestuurd wegens
wangedrag, maar hij komt af en toe bij de buurvrouw aan om liefdevol
te kijken naar poes Muis en aardige dingen tegen en over haar te
zeggen. Zo'n jongetje, dat

blij kan zijn met weinig (ÑIk heb veel geluk met mijn step", terwijl
hij gedwongen wordt buiten te spelen) kun je alleen maar inje hart
sluiten.

Ergernis

De hoofdpersoon lijkt een Frans Bromet, die met de camera op zijn
schouder zich in een buurt begeeft en alleen maar registreert. Bijna
nergens laat Tuinman zich tot een oordeel verleiden, maar je proeft
de betrokkenheid met de buurt, met zijn makkelijke en moeilijke
mensen. Maar ook de ergernis en misschien wel de woede om de
bureaucraten. Je komt je medicijnen ophalen en in het
'gezondheidscen-trum' zegt men doodleuk dat het recept er niet is,
hoewel je het zelf afgegeven hebt. En als uiteindelijk het recept er
wel is, blijkt er een geboortedatum met te kloppen en hoewel
overduidelijk is dat de medicijnen voor jou zijn, krijg je ze niet
mee. En als alles uiteindelijk toch in orde is, laten ze je wachten,
terwijl de medicijnen gewoon klaarstaan.

Juist dan kost het waarschijnlijk moeite om je in te houden, maar
Tuinman laat zich niet gaan en zadelt je niet op met haar ergernis,
maar laatje als lezer je eigen ergernis ontwikkelen. Veel van haar
stukjes hebben een open einde. Ze stopt als je nog net even verder
wilt lezen, als je nog even wilt horen wat iemand antwoordt als
iemand zegt 'dat het niet geeft' of vraagt 'Mag ik nu dan komen?'
maar Tuinman geeft ons alleen een witregel, die we zelf in moeten
vullen.

Het lijkt een vorm van bescheidenheid: de schrijfster treedt terug en
geeft de lezer de ruimte. Misschien is het dat ook wel. Buurvrouw is
in zijn geheel een bescheiden boek: niet al te dik, maar ook zonder
enige pretentie: ach, het zijn maar de dagelijkse bezigheid-jes van
iemand in een gewonemensen-buurt. Dat stemt de lezer welwillend. Dat
sommige langere stukken wat minder spannend zijn of toch als wat
gewild grappig overkomen, vergeef je dan gemakkelijker. De
schrijfster wordt zelf een buurvrouw, die je niet zo goed kent, maar
die sympathiek oogt. Je moet haar toch eens op de koffie vragen.

DOOR TEUNIS BUNT

 

 

(c) Nederlands Dagblad 2008