|
Mag het nog eens stil zijn?
Remco Ekkers
Het staat er zo onschuldig, als motto bij deel twee van de nieuwe bundel
'Receptie" van Vrouwkje Tuinman: 'Minutes I lay awake to hear my
joy'. De dichter is de Amerikaan John Berryman. Wie het citaat opzoekt,
(via internet lukt dit niet; we moeten naar de bibliotheek) vindt: 'The
song of the tortured girl'. Het gaat om een meisje dat gemarteld wordt
tot ze half bewusteloos raakt en een vreemd soort euforie beleeft. Ze
zegt in het gedicht: 'Vaak dacht ik: 'Niets ergers kan me nu nog overkomen.''
Een omineus citaat dus. Geven de gedichten daar aanleiding toe?
De titel 'Receptie komt terug in een gedicht, dat zich lezen laat als
de overweldigende ontvangst van indrukken. Andere gedichten in de bundel
spiegelen eveneens deze eigenschap, kwaal zelfs. Zintuigen kunnen te veel
openstaan of anders gezegd: er is een neurologische eigenschap die er
verantwoordelijk voor is dat de waarnemer niet voldoende filtert en de
aandacht richt op van alles tegelijk.
Als het goed gaat, zien we af van omgevingsruis en concentreren we ons
op dat wat op een bepaald moment van belang is of lijkt. Dat doen we als
we naar iemand luisteren terwijl een ander er naast ook praat. Die ander
sluiten we even buiten, zodat we kunnen horen en begrijpen wat de gekozen
gesprekspartner zegt. Bij een receptie moet je over die eigenschap beschikken,
anders word je stapelgek. De wereld kan een hel van indrukken geven, die
je als martelend ervaart. Dan is er een groot verlangen naar stilte.Kan
iemand alles even uitzetten? Laat me met rust.
In het gedicht 'Receptie' woont iemand boven. Er is rust. 'Het is ier
geen hotel, De reproducties aan de / muur verslaan mijn eigen leven. Van
de bel / heeft niemand last.' De kunst laat de ik met rust, want zij is
vertrouwd. Niemand belt aan. Even verder in het gedicht: 'Als toch een
kachelman / of meternemer binnen wil, dan shampooschrob / ik alle sporen
weg.'
Deze ik lijkt een controlefreak. Let op: de ik uit de gedichten hoeft
niet gelijkgesteld te worden met de dichteres. Ten eerste kan zij bepaalde
eigenschappen hevig uitvergroten, ten tweede kan zij in de huid van een
andere ik kruipen, zoals duidelijk gebeurt in 'Spionne', een intrigerend
portret van een binnendringster, iemand voor wie de andere ik juist benauwd
is: 'Aanbellen en andermans huis binnen lopen. Alsof ik daar / al vaker
was een slaapkamer in op bed gaan zitten. / Ik ben een kleine witte vrouw
en niemand belt politie.'
Aan deze regels is goed te zien dat Tuinman eenvoudige taal gebruikt en
niet op zoek is naar wilde metaforen. Het poetische schuilt in wonderlijke
situaties, omstandigheden of waarnemingen, soms in eigenzinnige woorden
als 'kachelman', 'meternemer' of 'shampooschrob'.
De vormgeefster Nanja Toebak heeft een ironisch, visueel commentaar gegeven
op de behoefte aan wegsnijden van informatie: zij heeft van de letters
van het woord 'receptie' de onderste helft weggesneden, zodat er op het
voorplat geheimzinnige chat- of sms-tekens lijken te staan. Het is nog
fraai ook.
|