| |
“Ik schrijf wel eens dingen waar ik zelf aan moet
wennen”
Door Anne Dohmen
Poëziefestival Onbederf’lijk Vers heeft voor de derde keer
een indrukwekkende hoeveelheid dichters op weten te trommelen. Vrouwkje
Tuinman (31) is één van hen. Een jaar geleden debuteerde
ze met de dichtbundel Vitrine, een maand geleden verscheen haar prozadebuut
Grote acht.
Fotogeniek
Probeert hij mij te ramen met
zijn camera ik ben er niet. Echt.
Een ander dan hij denkt te zien
ontzeg ik hem de ogen lippen
die hij liefheeft op papier.
Asymmetrisch blik ik neer
vertrek mijn mond trotseer het
tegenlicht ik maak mij
lelijk ongenaakbaar vreemd.
Ik houd altijd mijn ogen dicht.
(Uit: Vitrine)
Verkouden zit ze achter een kopje thee. Haar toch al niet luide stem is
nu nog zachter, het valt te hopen dat het 12 oktober beter gaat. Vrouwkje
Tuinman heeft er in ieder geval zin in. “Ik moet eerlijk zeggen
dat ik nog niet echt een idee heb van wat ik moet gaan doen. Ik weet dat
er steeds één bekendere dichter in een café staat
met twee minder bekende. Weet jij met wie ik ingedeeld ben? Misschien
ken ik ze toevallig, dan kunnen we iets samen doen. Het voordragen van
gedichten, dat is wel iets wat ik belangrijk vind.”
Waarom?
“Ik vind het idee van zolderkamerdichter niet aantrekkelijk, heb
er niks mee dat je alleen maar met jezelf bezig bent. Ik wil weten hoe
een gedicht werkt, hoe ik het uitspreek en of ik dat fijn vind. Het is
een beetje het concreet maken van een tekst. Het fijnste is als je een
zaal echt stil krijgt. Ik ben niet zo om te lachen, dat scheelt. Ik neem
nooit een lijst mee van huis, zo van: ik ga dit en dat doen. Dat bepaal
ik meestal pas op het podium. Ik weet wél welke gedichten goed
werken als het publiek rumoerig is. Na afloop komen er vaak mensen naar
me toe, die mij vertellen waar het over ging en dat ze er zoveel in herkenden.
Meestal is dat iets heel anders dan wat ik ermee bedoeld heb, maar dat
vind ik niet erg.”
Vorig jaar zei dichter Menno Wigman in een interview met Vox dat het na
tweeduizend jaar poëzie wel heel moeilijk is om nog iets toe te voegen.
“Nou, Menno voegt toch wel het één en ander toe…
Maar goed, ik denk daar ook wel eens over na inderdaad. Wat ik dan toevoeg?
Ik schrijf heel langzaam, dat heeft er wel mee te maken. Het duurt echt
dagen of weken voor ik iets nieuws op papier heb. Ik ben in mijn hoofd
al een hoop aan het schrappen om ‘de noodzaak’ te vinden.
Ik dik in tot er iets staat wat ik écht wil zeggen. Ik schrijf
de gezellige dingetjes eromheen niet op. Wat mij anders maakt, is die
compactheid. Met een paar objectieve dingen, probeer ik gevoelens concreet
te maken. Mijn doel is om er iets in te stoppen waardoor mensen het lezen
alsof het over hen gaat. Ook al is dat niet zo. Ik schrijf ook wel eens
dingen waar ik zelf aan moet wennen. Dat gaat over dat supercompact willen
schrijven. Het is eigenlijk iets wat ik in zijn algemeenheid doe. De boodschap
op mijn antwoordapparaat is ook kort. Dat is heel erg mijn ding.”
Wat is nog meer typerend voor jouw proza en poëzie?
“Er wordt wel eens gezegd dat ik niet typisch vrouwelijk schrijf.
En dat is misschien ook wel zo. Van vrouwen wordt vaak aangenomen, ten
onrechte overigens, dat ze dagboekpoëzie schrijven en dat alles lyrisch
is, móói zeg maar. Ik schrijf vrij hard, zonder dat het
over moord en doodslag gaat. Ik gebruik weinig inkleuring en bijvoeglijke
naamwoorden, nauwelijks metaforen of vergelijkingen. Ik schrijf zoals
ik dat zelf mooi vind, ik hou niet van een grote omhaal van woorden. Je
hebt wel mensen bij wie het werkt hoor, maar over het algemeen ervaar
ik het als overbodig. Of een maskering van wat je eigenlijk wil zeggen.”
Hoe werd je dichter?
“Ik heb nooit het verlangen gehad om schrijver te worden. Ik heb
wel altijd journalistiek willen schrijven en dat heb ik tijdens en na
mijn studie muziekwetenschap ook gedaan. Op een gegeven moment werd ik
gevraagd om een verhaal te schrijven en die opdracht heb ik aangenomen.
Langzaam merkte ik dat het verhaal steeds meer werd, een roman. Ik hield
er vervolgens ideeën aan over die niet in een roman pasten, en waarvan
ik ook merkte dat ze om een ander soort taal vroegen. En dat werden gedichten.
Maar ik heb niet een specifieke roeping om literatuur te schrijven. Dat
trekt me helemaal niet. Ik wil veel liever met dat hele spectrum van taal
bezig zijn.”
In hoeverre hebben wij Nederlanders volgens jou überhaupt interesse
in poëzie?
“Het leeft wel heel erg hoor. Het zijn echt niet altijd dezelfde
honderd mensen die naar mijn gedichten komen luisteren. Ik zie dat het
altijd druk is en dat ik, als ik wil, drie keer in de week ergens kan
gaan voorlezen. Ik heb in de literaire tent op Lowlands gestaan, dan zitten
er om elf uur ’s ochtends zevenhonderd man binnen. Kijk, het is
geen voetbal natuurlijk. Als je een bestseller hebt geschreven, dan gaat
nog steeds maar om een paar duizend mensen. Maar volgens mij zit er wel
groei in.”
De ikpersoon in je dichtbundel ‘Vitrine’ wil alles observeren
en zien, maar zelf niet gezien worden. Toch stalt ze zichzelf uit in een
vitrine. Hoe leg je dat uit?
“Dat snapt de hoofdpersoon dus ook niet zo goed. Het is een deel
van de thematiek. De hoofdpersoon sluit zich erg af voor andere mensen,
wil niet vastgelegd, geobserveerd worden.
Dan komt ze iemand tegen, wordt verliefd en voor het eerst blijkt deze
relatie noodzakelijk te zijn, om wél open te gaan. En dat spanningsveld,
daar gaat het eigenlijk over. Over jezelf verbergen en jezelf laten zien.
Ik vertaal het naar een vrij letterlijk, visueel beeld, maar het gaat
natuurlijk over het emotionele. Hoeveel laat je van jezelf zien?”
In een recensie werd geschreven dat jouw poëzie goed aansluit in
de recente traditie van vrouwelijke dichters die hun ellende met het manvolk
tot onderwerp nemen. De zogenaamde ‘Sex-and-the-city-poëzie’.
Beledigend?
“Nee dat niet. Maar het is een veronderstelling die niet waar is.Het
gaat ervan uit dat mijn bundel over ellende in de liefde gaat, terwijl
het juist over een níeuwe liefde gaat. Bepaald geen ellende dus.
Ik weet niet of er een trend is, nee, volgens mij bestaat er helemaal
geen Sex-and-the-city-poëzie. Vrouwen zouden meer over hun eigen
lief en leed schrijven , maar dat doen jonge mannen ook hoor. Alleen,
bij vrouwen gaat het misschien met meer kleuren, dan staan vaak alle zintuigen
open.”
Maar jij schreef toch juist géén vrouwelijke poëzie?
“Nee, absoluut niet. Mijn gedichten gaan helemaal niet over Sex-and-the-city-achtige
onderwerpen. Er wordt ook niemand in gedumpt. Deze recensent is trouwens
ook behoorlijk aangevallen op zijn herhaaldelijke besprekingen van vrouwen
in recensies. De betreffende dichteressen zijn er in interviews tegenin
gegaan en op festivals zijn discussies gevoerd.”
In zowel de bundel als de roman speelt een overleden vader een belangrijke
rol. Dat roept de vraag op in hoeverre jouw werk over jou gaat.
“De basislijn, dat ben ik wel. Maar alle invulling is vrij subjectief.
Zoals bij het titelgedicht Vitrine: ik heb echt nog nooit haren en sigarettenpeuken
van mijn geliefde bewaard om hem in een doosje te kunnen stoppen en daarmee
vast te houden. Maar die emotie is mij wel bekend. Datzelfde geldt voor
mijn roman Grote Acht: de grote lijn klopt wel met mijn leven. Ik ben
ook een klein meisje geweest.”
Dat is wel een hele grote lijn..
“Ja goed, natuurlijk heb ik er dingen van mezelf in gelegd. Ik ben
ook enig kind en ik weet ook hoe het is om als meisje op te groeien. En
het is waar dat mijn vader is overleden en dat geestelijk misbruik, dat
klopt ook. Ik wilde iets doen met mijn eigen ervaring dat er iemand is
doodgegaan en dat de hele omgeving dan weet hoe dat voor je is en hoe
je je moet gedragen. En vervolgens ben ik dingen gaan invullen zoals ik
dat met poëzie ook doe. Daar zitten heel veel dingen in die ik níet
ben.
Het is niet zo dat ik gedichten en proza schrijf om iets kwijt te kunnen
van mezelf, om iets te verwerken. Zoals Beck die een plaat maakte over
zijn vriendin met wie het uit was, en zich daarna een stuk beter voelde.
Zo is het bij mij niet. Er wordt zo snel aangenomen dat een auteur over
zichzelf schrijft. Tommy Wieringa bijvoorbeeld. Nu hij een boek heeft
geschreven over iemand die in een rolstoel zit, geloven mensen pas dat
het niet over hem gaat. Omdat hij zelf twee meter is en rugby speelt.
Anders hou je dat toch. Ik heb dat zelf ook wel als ik boeken lees. Ik
vind het ook geen drama verder.”
Je hebt een relatie met dichter F. Starik. Twee dichters op één
kussen, hoe is dat?
“Ik zie daar geen probleem in, eerlijk gezegd. Het is gelijkwaardig
omdat we ongeveer dezelfde levensvorm hebben. Een ongeregeld leven met
veel optredens, en dat begrijpen we van elkaar. Je weet dat je het gebrek
aan tijd van de ander niet op jezelf moeten betrekken, dat je daar niet
onzeker van moet worden. En ik vind het gezellig dat we met elkaar meegaan
naar optredens en dat hij dan ook mensen kent.
We schrijven echt totaal anders, Frank is heel erg lyrisch, veel meer
humor dan ik. Hij is sowieso veel meer van het lachen en het huilen. We
lezen elkaars werk en becommentariëren dat ook wel. We kunnen tegen
elkaar zeggen wat we goed en slecht vinden.”
Is hij een groot dichter?
“Nou, een groot dichter… dat kun je eigenlijk pas veel later
beoordelen. Bijna niemand uit mijn vriendenkring vind ik een groot dichter,
omdat je dat gewoon nu nog niet kunt zien. Dit wordt toch niet zo’n
heel gemene uitspraak hè? Ik bedoel er verder niets mee. Je bent
een groot dichter als je taal kunt veranderen, echt dingen zegt die nog
heel lang navoelbaar zijn. En dat het ook op langere termijn nog op zichzelf
staat, bijzonder is. Ik denk dat Menno Wigman een groot dichter is. Hij
is een van de weinigen uit mijn ‘generatie’ waarvan ik dat
vermoed. Ik vind heel veel van mijn vrienden góeie dichters, goede
podiumpersoonlijkheden. Maar een gróót dichter, ik vind
dat in de categorie vallen van drie in een eeuw, begrijp je?”
En hoe zie je jezelf?
“Dat kan ik niet beoordelen. Maar ik ben nog steeds tevreden met
mijn bundel, dat vind ik al heel wat. Ik ken veel dichters die na een
paar maanden al niks meer over hun bundel wilden horen. Ik merk wel dat
ik nu alweer heel andere gedichten schrijf dan in mijn eerste bundel.
Ik hoop natuurlijk wel dat daar groei in zit. En wat betreft mijn boek
Grote Acht, na één roman kan ik nog niet zeggen hoe ik ben
als schrijver. Zolang je maar weet wat je aan het doen bent en waarom
je dat aan het doen bent. Dat vind ik nog altijd het belangrijkste.”
a.dohmen@vox.ru.nl
|