| |
Recensieweb: Daan Stoffelsen bespreekt Vrouwkje Tuinman,
Grote acht
www.recensieweb.nl
Beklemmende meisjesverhalen
Stel, je ouders zijn gescheiden. Stel, je bent een meisje van zes, acht,
zestien. Stel, je vader is geen gemakkelijke man. Een moeilijke man, iemand
bij wie je het nooit goed kan doen, iemand die boos wordt om niets. Iemand
waarbij je je klein voelt.
Je zou de ik-persoon van Grote acht kunnen zijn. Grote acht is de debuutroman
van Vrouwkje Tuinman. In 2004 kwam al een poëziebundel van haar uit,
Vitrine, en die had dezelfde kwaliteit als haar roman: haar ik-personen
maken schijnbaar deel uit (van familie, van relaties), maar observeren
als buitenstaanders. En ze observeren scherp.
De roman beschrijft in korte anekdotes het leven van een getiranniseerd
meisje. Als ze twaalf is, negen, zes, acht, als ze zestien is en haar
vader sterft, als ze drieëntwintig is en ze nog steeds moeite met
mannen en met seks heeft. Als ze nadenkt over hoe ze moet ontkomen bij
brand, omdat hij haar slaapkamerdeur op slot doet. Als ze droomt. Als
ze stinkt zoals alles in zijn huis en ze zich grondig reinigt, afwisselend
met koud en heet water. Als ze gelukkig is, maar net niet helemaal.
Elk weekend gaat ze naar haar vader en onderwerpt zich daar aan zijn regels,
hoe onredelijk ook. Ze moet netjes gekleed gaan, netjes eten, u zeggen,
aangenaam en intelligent gezelschap zijn, een goede hulp – en als
het niet lukt, dan wordt vader boos. En dan stelt hij ook nog mínder
redelijke eisen aan zijn kind.
‘Gisteren aten we rijst en kipkerrie uit een diepvriespak, met erdoorheen
restjes beschimmelde boerenkool van een allang weggegooid blik. Daar krijg
je meer weerstand van, zegt mijn vader.’
Dan is ze acht. Voor elke anekdote neemt Tuinman de meisjesleeftijd van
de ik-persoon aan. Het is alsof een meisje van acht dit vertelt. Geen
gewoon meisje, nee: ‘een rare’, vinden haar leeftijdsgenoten
als ze op de middelbare school komt, eentje die in haar eenzaamheid heeft
leren observeren, en eentje die kan accepteren. Toch draagt ze het laconiek,
of nee, ze beschrijft het laconiek. En dus komt het des te harder aan.
Gelukkig zijn er ook mooie momenten, en dan lijkt het alsof die man echt
uit haar leven is verdwenen. Drieëntwintig:
‘Tom is nog half in slaap. Hij mompelt halve woorden, kijkt uit
halve ogen en streelt met halve handen. Zakt dan weer weg. Hij is weer
weg. Ik ben wakker, wakkerder, altijd. Het liefst neem ik terloops, zonder
ophef, afscheid van de nacht. Ik ontwaak en ben al in de keuken, aan het
werk, de deur uit. Mijn vriendje kan dat niet, de dag begroeten. Opstaan
is voor hem een lange aarzeling. Een serie van komma’s, met steeds
nieuwe uitbreidingen, bijzinnen en pas heel laat een punt.’
Ook dit hoofdstuk eindigt wrang, maar Tuinman toont zich ook hier een
fantastisch stiliste, en zoals ze het jonge meisje een jonge buitenstaander
laat zijn, zo laat ze de jong-volwassene een eenzame taalkunstenares zijn.
Ze heeft met Grote acht een beklemmend boekje geschreven, over een traumatische
jeugd. Het debuut is uit, we reikhalzen naar haar tweede boek.
oordeel: ••••• (4/5)
|