| |
NRC Handelsblad 02-09-2005
(Dubbelbespreking Hanz Mirck en Vrouwkje Tuinman)
Eerst moet je maar even helemaal leeglopen
ELSBETH ETTY
Tussen proza en poëzie bevindt zich een grensgebied. Dat is niets
nieuws. Ooit bestond het onderscheid niet in de literatuur, later zijn
tussen beide vormen scherpe grenzen getrokken, die vooral in de vorige
eeuw in prozagedichten en taalexperimenten weer vervaagden. Bij prozateksten
van dichters die het na enkele poëziebundels over een andere boeg
gooien, verwacht je dat grensgebied te betreden. Dat is lang niet altijd
het geval. Dichters kunnen ook meesterlijk proza schrijven dat in niets
op gedichten lijkt, zelfs al betreft het korte fragmenten zonder consistent
verhaal. Maar de dichterlijke vlucht in het proza kan ook een vorm van
gemakzucht of onmacht zijn. Bij de recent verschenen prozadebuten van
de dichters Hanz Mirck en Vrouwkje Tuinman speelde de vraag steeds hinderlijk
door mijn hoofd: wat is dit? En het stellen van die vraag is eigenlijk
al noodlottig - het hoort er niet toe te doen tot welk genre je een tekst
zou moeten rekenen, de tekst zelf moet overtuigen.
Dat presteerde dichteres Esther Jansma bijvoorbeeld in 1997 met haar prozadebuut
Picknick op de wenteltrap. Het was een doordacht vormgegeven serie onderling
verbonden miniatuurtjes, waarin drie kinderen gesprekken voeren over de
manier waarop zij het leven ervaren. Of neem de prozafragmenten van Anneke
Brassinga in Hartsvanger (1993) en Hapschaar (1998). Evenals het caleidoscopische
boekje van Jansma, waarop de uitgever tot verbazing van de auteur het
etiket `roman' plakte, kunnen Brassinga's fragmenten worden gelezen als
meer of minder verkapte memoires. De keuze voor proza was evident: beide
dichteressen wilden zich in hun autobiografische teksten wat de vorm betreft
meer veroorloven dan in gedichten mogelijk is.
Sinds het succes dat vooral Jansma`s Picknick op de wenteltrap oogstte,
lijkt dit enigszins hybride genre navolging te vinden onder jonge dichters.
De initiator van wat zich als een heuse trend laat aanzien, is de in 1970
geboren Utrechtse dichter Ingmar Heytze. Na diens poëziedebuut De
allesvrezer (1997) volgde in 2003 de bundel prozaminiaturen Ik ben er
voor niemand, met elkaar verbonden door een verteller die Retour Afzender
heet. En nu zijn, kort na elkaar, van Heytzes vrienden en collega's Hanz
Mirck (1970) en Vrouwkje Tuinman (1974), allebei auteurs met één
dichtbundel op hun naam, vergelijkbare prozadebuten verschenen die als
roman worden betiteld.
Hoe je deze proza-experimenten, want dat zijn het, noemt maakt niet zoveel
uit, de teksten staan of vallen met de authenticiteit ervan en de urgentie
van de vorm. Zodra de indruk ontstaat dat de fragmentarische aanpak eigenlijk
een maniertje is om de poëzie te verlaten en in het wilde weg autobiografisch
te kunnen mekkeren over schoolpleinervaringen en puberverdriet wordt lezing
ervan een opgave. Dat geldt niet voor Heytze, die met Ik ben er voor niemand
fijnzinnige miniaturen vol rake typeringen afleverde. Toch beklijft zijn
poëzie beter dan zijn proza, wellicht omdat het teksten zijn die
je met de attitude van de poëzielezer tot je moet nemen, maar die
niet de daarvoor vereiste concentratie afdwingen. De taal mist het metrum
en de beeldenrijkdom van de gedichten, maar als short stories of aan elkaar
geprate roman voldoet dit werk ook nauwelijks omdat er een verhaallijn
of spanningsboog ontbreekt.
Waarom kiezen veelbelovende dichters als Mirck en Tuinman eigenlijk voor
proza? Ik kan, wat ik ook probeer, alleen maar buiten-literaire argumenten
verzinnen. Het zou een vorm van epigonisme kunnen zijn (beiden voeren
Heytze in hun werk als vriend op en worden omgekeerd voortdurend door
Heytze aangeprezen). Maar eerlijk gezegd denk ik dat hun uitgevers om
commerciële redenen de voorkeur geven aan romans. Hanz Mirck windt
daar in zijn prozadebuut, voorzien van een aan Ingmar Heytze ontleend
motto, geen doekjes om. In een hoofdstukje, getiteld `Memoir-reeks 33'
doet hij verslag van een telefoongesprek met zijn moeder. `En ik vertel
dat mijn uitgever het plan heeft om een nieuwe serie boeken te starten,
autobiografisch getint proza, hij noemt het ,,memoirs''. En dat hij mijn
boek als eerste daarin wil uitbrengen. Leuk hé? Maar aan de andere
kant wel gevaarlijk, want dan zet je er een soort stempeltje ,,waar gebeurd''
op. Dat maakt voor de kwaliteit niets uit, zou je denken. Maar voor mijn
ouders wel, denk ik hardop.'
Afgezien van de vraag waarom mij dat als lezer in vredesnaam zou interesseren:
het maakt voor de kwaliteit helaas wel degelijk uit. Het resultaat is
namelijk een belabberd geschreven wordingsgeschiedenis van deze door een
uitgever in elkaar geflanste memoires, samengesteld uit flarden herinneringen,
gesprekken, sms-jes en e-mails tot en met een als een schoolreisjesverslag
opgeschreven relaas over de presentatie van Het godsgeschenk in een boekwinkel
in Zutphen. Dit is de Talpa-isering van literatuur, maar dan zonder de
formats en het publiek van Talpa.
Een belangrijk verschil met het betere werk in dit genre, zoals dat van
Esther Jansma, is de volstrekt willekeurige vorm ervan. Mirck erkent dat
ook ruiterlijk, zoals in het hoofdstuk `Non-fictie 33' over een gesprek
met een redacteur van zijn uitgeverij. `,,Probeer nou eerst maar gewoon
leeg te stromen'', zegt hij terwijl hij een glas voor me vult. ,,Daarna
gaan we wel structureren''.' Nu, gestructureerd ís er, door boven
de bijeengeraapte kladbloknotities titels te plaatsen als `De bal 6',
`De oude bibliotheek 11', `Kafka 15', `Ingeleverd 34' - waarbij de getallen
uiteraard verwijzen naar de leeftijd waarop de `ik' met zijn bal speelde,
een oude bibliotheek bezocht, Kafka ontdekte of het manuscript van zijn
boek inleverde. Precies zo als Esther Jansma in Picknick op de wenteltrap
haar hoofdstukjes titels gaf als `Het denken [1] ', `De hoogte en de diepte
[2]', `Het verlangen [3]'.
Het verschil in niveau is echter onmetelijk: Jansma reconstrueert het
denken over abstracties van een klein kind in diverse ontwikkelingsfasen,
overtuigend opgeschreven in een onontkoombare, niet per se chronologische
volgorde. De oudste herinnering is die van een tienjarige, onder de titel
`De hoogte en de diepte [10]'. Hanz Mirck heeft het nooit over abstracties.
Hij bedrijft louter van zelfvertedering en zelfbeklag overlopende anekdotiek.
Zelfvertedering is dodelijk voor elk proza en het was dan ook schrikken
toen ik Vrouwkje Tuinman daaraan in Grote acht bijna zag bezwijken. `Ik
was vijf, bijna zes. Ik wilde dierenarts worden en was schrijver', lezen
we al in hoofdstuk 1. Dat hoofdstuk heet - jawel - `Twaalf' en een meisje
van twaalf kijkt erin terug op haar kindertijd. Vol ontroering roept ze
een wonderkind op dat op haar vijfde verhalen schrijft, voorleest en publiceert
voor haar speelgoedbeesten. Haar huidige publiek heeft echter te maken
met een bijna dertigjarige vrouw, die haar lezers kennelijk aanziet voor
de beer die haar publiek was als kleuter-schrijfster. De beer had geen
ogen en vond alles prachtig.
Iemand had het talent van Vrouwkje Tuinman hiertegen moeten beschermen.
Want dat talent is er. Wie bereid is heen te stappen over de opzichtige
navolging van Jansma (alle hoofdstuktitels verwijzen in niet-chronologische
volgorde naar de leeftijd van de ikfiguur), de dankbetuiging aan Heytze
en de hinderlijke overeenkomsten met Mirck (zoals het opnemen in de tekst
van onbenullige brieven aan een vriendin) ziet het door dit proza heen
schemeren. In Grote acht, de titel verwijst naar een verplicht nummer
in de paardendressuur, is een opgroeiend meisje aan het woord dat associatief
en in flarden de relatie met haar gescheiden vader probeert te benoemen.
De vader, in de perceptie van het kind een vieze oude man, gaat dood als
ze op de middelbare school zit, maar in haar hoofd en lijf blijft hij
hinderlijk aanwezig.
Generaties kinderen zijn opgegroeid met gescheiden vaders bij wie ze in
het kader van omgangsregelingen verplicht de weekends doorbrachten en
er is al oneindig veel over geschreven. Maar niet eerder heb ik de eenzaamheid,
angst, gekwetstheid, de loyaliteitsconflicten en het verdriet die dergelijke
gedwongen logeerpartijen bij een kind te weeg kunnen brengen, zo indringend
mee-ervaren als in Grote acht. Opgroeien in Zutphen bij ouders die niet
gescheiden zijn en dat ook nooit zullen doen omdat ze in een vorig leven
non en priester waren - zoals in Het Godsgeschenk de vader en moeder van
Hanz Mirck - is ook geen pretje. Maar het doorsnee drama van Vrouwkje
Tuinmans personage komt oneindig beter uit de verf dan dat van de van
God gegeven Zoon, zonder dat daarvoor een oeverloze woordenbrij nodig
is. Evenals in het proza van Esther Jansma en Anneke Brassinga spreekt
uit Grote acht de taal- en vormbeheersing van een dichter. Maar Tuinman
is tot meer in staat dan fragmentarisch proza. Zij zou, zo blijkt uit
dit debuut, een volwaardige roman aankunnen met een verhaal en personages
die beklijven, zoals woorden en beelden dat kunnen in poëzie.
Info: Hanz Mirck: Het godsgeschenk. Vassallucci, 293 blz. euro17,95 Vrouwkje
Tuinman: Grote acht. Nijgh & Van Ditmar, 142 blz. euro14,50
|