| |
Dit hoofdstuk uit de roman Twaalf (verw. zomer 2005, Nijgh &
Van Ditmar) is in een eerdere versie verschenen als Thuisbrengen
in Hollands Maandblad (juni 2003)
Dertien
Het is zomer. In de auto ruikt het naar dennennaalden. Als ik mijn ogen
dicht doe, kan ik de kerstboom nog voor me zien. De top klemde tegen het
plafond aan. Er kon geen piek meer bij. Mijn vader had bij de supermarkt
een paar dozen met kerstballen gekocht. Mintgroen, roze, lila. En lichtjes
in allerlei kleuren. Als ik de straat in fietste, zag ik de boom al van
ver voor het raam staan. Het was een beetje ordinair.
Deze dennennaalden komen niet van een boom, maar uit een luchtverfrisser.
In een wit bakje zit een donkergroene klont. Die kun je zien door een
paar luchtgaatjes. Mijn vader koopt iedere maand twee nieuwe luchtverfrissers.
Een ligt voorin op het dashboard, en eentje achterin, waar de hond vaak
zit.
Vorige week stapten we in de auto en werd mijn vader heel erg boos. Ik
zag eerst niet waarom. Hij begon te wijzen en te schreeuwen dat het mijn
schuld was, omdat ik nooit met mijn handen van zijn spullen af kon blijven.
Het bakje was omgevallen, de zon had erop gestaan en een heleboel van
het groene spul was gesmolten en uitgelopen over het dashboard. Ik kon
me niet herinneren dat ik het bakje zelfs maar had aangeraakt. Toch moest
ik het schoonmaken. Er zitten allemaal randjes, knopjes en hoekjes aan
het dashboard, het was veel werk. Pas een half uur later konden we wegrijden.
Veel later dan normaal.
Nu ruikt het naar nieuwe dennennaalden. Ik durf er niks over te zeggen.
Op de plekken waar de klont groen was uitgelopen, is het dashboard een
beetje dof. Gelukkig start mijn vader de auto zonder er over te beginnen.
We rijden het paadje langs het huis af en dan stopt hij. Met twee wielen
op de stoep en twee in de goot wacht hij tot er geen auto's meer aankomen.
Steeds als ik denk 'nu kan het, nu, rijden' blijft hij turen. Links, rechts,
en altijd komt er dan na een paar seconden in de verte weer een auto aan.
Minuten later rijden we weg. Het is nog licht en de buren zitten in de
tuin koffie te drinken. Ze zwaaien. Ik zwaai terug. We rijden onze straat
uit, het dorp in. Langs de apotheek, de kaaswinkel en de snackbar, waar
ik vanmiddag een ijsje kreeg. Sinaasappelijs, twee bolletjes met slagroom.
'Dat is nog eens aardig van je opa,' zei de verkoper. Mijn vader glimlachte
naar de man en ik wist niet wat ik moest zeggen. Buiten vroeg hij of ik
me soms voor hem schaamde. Waarom had ik niet gezegd dat hij helemaal
niet mijn opa was, maar mijn vader? Ik wist geen antwoord en na het ijsje
waren we zwijgend naar huis gefietst.
Nu praat hij. Over hoe gezellig het was dit weekend. Hij zegt dat hij
vindt dat het elke keer weer omvliegt, die twee dagen. Volgende week gaan
we trouwens op bezoek bij mijn oom en tante. Zal ik dat niet vergeten?
En denk ik eraan mijn haar een beetje normaal te doen, met een nette band
erin? Zoals je moeder je erbij laat lopen, dat moet ze zelf weten, maar
wij zijn keurige mensen. Langs de markt, naar links de hoek om. De grootste
straat van ons dorp in, waar met carnaval de optocht voorbij trekt. Er
staan grote huizen met hekken ervoor en er zijn uitzendbureaus en kantoren.
Hij gaat naar links. Normaal gaan we hier altijd rechtdoor.
'We rijden verkeerd,' zeg ik.
‘Nee, natuurlijk niet. Je vader rijdt nooit verkeerd,' antwoordt
hij. 'We gaan gewoon nog even ergens een pakje afgeven. Gezellig toch,
dan zijn we wat langer bij elkaar.' Hier komen we normaal nooit. Mijn
vader rijdt dan weer links een straat in, dan rechts, tot ik helemaal
in de war ben. Ik zou nooit meer de weg terug kunnen vinden naar de grote
straat waar we eerst doorheen reden, waar we elke zondagavond doorheen
rijden.
Bij een hoekhuis stopt hij.
'Blijf jij maar even wachten.' Hij zet de motor af. Dat betekent dat het
wel een tijdje kan gaan duren. Hij stapt uit en loopt om de auto heen.
Achter me hoor ik de klep opengaan. Met een pakje loopt hij naar de voordeur
van het huis. Hij drukt op de bel. Een man die ik niet ken doet open.
Ik draai het raampje een stukje omlaag - dat mag ik eigenlijk niet, mijn
vader zegt dan altijd dat ik vast wel weer zal vergeten het dicht te doen
als ik uit de auto stap. Nu kan ik een beetje meeluisteren. Ze kletsen
eerst wat over het weer, en dan worden mijn vader en ik uitgenodigd om
wat te komen drinken in de achtertuin. Mijn vader zegt dat we tijd genoeg
hebben, dat hij me naar mijn moeder aan het brengen is, maar dat dat best
even kan wachten. Ik draai snel het raampje dicht en doe alsof ik niets
heb gehoord. Stappen richting de auto. De portier gaat open.
'Let eens een beetje op! Die meneer vraagt ons binnen en jij komt niet
eens!'
Ik drink mijn limonade snel op, zodat we weer weg kunnen. De mannen praten
maar door, over belichtingstijden en lenzen, ik snap niet waarover het
gaat en ik kijk naar de tegels. De tijd gaat langzaam, gelukkig heb ik
geen horloge om. Uiteindelijk staan ze op. Ik geef de man een hand en
mijn vader en ik lopen zwijgend naar de auto.
'Nou, jij bent ook gezellig zeg,' snauwt hij me toe als de portier is
dicht geslagen. Zijn hoofd draait om en zijn mond wordt breed en vrolijk
en hij zwaait enthousiast naar de man voor het hoekhuis. Weer in mijn
richting: 'Je kunt toch wel een beetje je best doen. Vind je het soms
leuk om mij zo voor gek te zetten?' Hij doet het raam open en roept: 'Dat
was gezellig! Ik rijd de komende week nog wel even langs.'
We gaan weer terug naar de grote straat. Daar rijdt mijn vader een parkeerhaventje
in. Ik durf niet te vragen waarom we nu weer stoppen. Hij begint aan de
radio te draaien.
'Zo dadelijk komt het nieuws, dat wil ik even horen. Als ik jou vraag
het op te zoeken kun je het toch niet vinden.' Piepjes. Het nieuws. Normaal
was ik nu thuis geweest. Mijn vader zet de motor af, hij kan zich niet
op de weg concentreren als het nieuws bezig is.
Het duurt gelukkig maar kort. Op zondag gebeurt er niet veel. Geen dingen
om over te kunnen praten, in elk geval. Mijn vader start de wagen en vraagt
wat ik deze week moet doen voor school. Ik heb niet zo'n zin om daarover
te vertellen en ik durf hem nooit te vragen wat hij gaat doen. Sinds mijn
vader niet meer naar zijn werk hoeft, weet ik niet precies wat hij door
de week doet. Hij vertelt er tegen andere mensen gewichtig over. Besprekingen,
dingen die hij persoonlijk naar het buitenland moet brengen. Maar in het
pakje van vanavond zat alleen een oude fotocamera. Mijn vader verzamelt
fototoestellen. Hij heeft er veel maar de laatste tijd is hij ze aan het
verkopen. Op de overloop staat een doos met camera's die misschien weg
gaan. Het voelt alsof het mijn schuld is, hoewel ik niet precies snap
op welke manier.
De lange straat komt uit bij een kruising. Langs een restaurant rijden
we de oprit op, naar de snelweg. Een ondergaande zon zweeft naast ons
mee. We krijgen er oranjeachtige gezichten van, zie ik in de spiegel.
We zien er wel grappig uit. Mijn vader heeft een cassettebandje opgezet.
Dat heb ik thuis voor hem gemaakt. Ik heb elpees van mijn moeder gedraaid,
met klassieke muziek. De bandrecorder heb ik precies in het midden tussen
de twee speakers gezet en toen moest ik een uur heel stil zijn. Hij heeft
maar twee bandjes in de auto. Meestal draait hij deze. Het is heel goed
gelukt, bijna zonder foutjes. Halverwege kant b hoor je een paar minuten
ons vogeltje fluiten en één keer hoest mijn moeder. We zitten
er allebei op te wachten tot dat gebeurt, dat voel ik. We zeggen er niets
over. Mijn vader knijpt zijn wenkbrauwen altijd even samen als het gehoest
uit de luidsprekers klinkt.
Op de kilometerteller zie ik dat we vijftig rijden. Volgens mij mag dat
niet op de snelweg, maar ik zeg er niets van. We gaan over een viaduct.
Beneden ons zie ik andere auto's rijden. Sommige met een caravan.
‘Weet je waar die heen gaan?’ vraagt mijn vader. Hij klinkt
streng, ik weet dat hij boos op me wordt als ik niet weet welke route
naar welke steden leidt. Als we verre tochten maken, naar familie ergens
aan de andere kant van het land, leer ik onderweg alle anwb-borden uit
mijn hoofd. Als hij me dan vraagt welke plaats we naderen, heb ik het
meestal goed. Soms zijn er geen borden voor een dorp aan de kant van de
weg, of staan ze te ver weg om ze goed te kunnen lezen. Dan moet ik gokken
en dat gaat meestal fout.
'Richting Rosmalen, Oss, Nijmegen en naar Arnhem of de Duitse grens,’
antwoord ik snel. Dat heb ik onthouden van toen we zelf laatst een keer
daar beneden reden.
'En?' vraagt hij. Ik weet het niet.
'Natuurlijk weet je dat wel,' zegt hij, 'je bent toch geen stommerik!'
Ik denk na en probeer de kaart van Nederland voor me te zien. Alle provincies
lopen door elkaar, allerlei plaatsen schieten door mijn hoofd, naast me
zucht mijn vader, ik krijg het heel warm.
'Eh,' begin ik maar hij heeft geen zin meer om te wachten.
'Apeldoorn natuurlijk. Na Arnhem komt Apeldoorn! Het wordt nooit wat met
jou.'
Intussen rijden we nog maar veertig. Er zijn al drie toeterende auto's
langsgereden. Een automobiliste wees naar mijn vader en toen naar haar
voorhoofd. Ik hoopte dat hij het niet gezien had maar nu is hij kwaad.
'Die automobilisten van tegenwoordig, altijd maar haast, haast. Jonge
mensen, ja, jij ook, zouden beter moeten weten. Respectloos, dat is het!'
We zijn op driekwart. Ik zie de omgewaaide boom. Die hangt sinds de storm
van vorige herfst schuin in een klein meertje. De takken dobberen in het
water en er tussenin drijven blikjes en plastic flesjes en andere troep
die automobilisten uit hun raam gooien. Zou de boom nog leven? Als we
het meertje voorbij zijn, kijk ik uit naar alle tekens die markeren dat
ik dichter, steeds dichter bij huis kom. Een schuur met 'stop kernwapens'
erop gespoten. Een boerderij waar soms wat schapen maar vaak alleen een
paard bij staan. Elektriciteitsmasten, die ik aftel van twaalf tot nul
tot we onder een viaduct verdwijnen. Het bruggetje naar het zwembad. Kruisingen,
drie na elkaar. En tenslotte nog één stoplicht, ik zie het
al in de verte. Mijn vader vindt dat je verkeerslicht moet zeggen, niet
stoplicht, maar ik heb niks gezegd, ik heb het alleen maar gedacht. Het
springt op groen en drie auto's stuiven weg. Als we in dit tempo doorrijden,
halen we het makkelijk. Mijn vader kijkt opzij naar mij. Hij mindert vaart.
Het is nog steeds groen. We gaan nog langzamer. Een auto passeert ons
en rijdt door oranje. Nog voor het rood is, is mijn vader al gestopt.
We zeggen niets. De auto's van rechts beginnen te rijden. Achter ons in
de verte hoor ik een kerkklok. Mijn moeder zal wel ongerust zijn. Er gebeurt
een hele tijd niks op het kruispunt. Dan beginnen van rechts de auto's
weer te rijden. Wij hadden al lang aan de beurt moeten komen. Een grote
vrachtwagen remt af, het zal bij hem nu wel rood zijn.
Ons stoplicht springt op groen. We blijven stil staan. Drie seconden,
vijf. Ik kijk naar links, naar mijn vader.
'Zit niet zo te jagen,' zegt hij. ‘We hebben alle tijd en er is
toch bijna niemand op de weg. We kunnen best even wachten.' Pas als er
achter ons iemand toetert, slaat hij mopperend rechtsaf. De lange laan
aan het water in. Er spelen kinderen op het gras en sommigen kijken even
naar ons. Een fietser rijdt ons voorbij, zo langzaam rijden we. Aan het
eind van de singel slaan we de hoek om. Mijn straat in. Nog vier huizenblokken.
Nog drie. Mijn vader gaat ineens sneller rijden. Ik kijk achterom of er
soms een auto achter ons zit. Als hij maar stopt bij ons huis, hij moet
stoppen. Hij rijdt door. Hij stopt, drie huizen verder.
'Zo,’ zegt hij. ‘Jammer hoor, dat we er al zijn. Kus je je
vader even gedag?’ Ik heb mijn rugzak al om en het is een beetje
onhandig om naar de bestuurdersstoel over te buigen. Hij houdt me stevig
vast en ik krijg kramp ergens onderin mijn rug. Hij laat niet los.
|